HET VIJLENERBOS.

Het 225 hectare omvattende Vijlenerbos ten zuiden van Vijlen, het grootste loofhoutboscomplex van Limburg, maakt deel uit van de boswachterij Villenerbusch. Als natuur- en wandelgebied bij recreanten zeer in trek. Er zijn plaatsen om te picknicken, er is een kinderboerderij, speeltuin, mountainbikeroutes, geologische wandelroutes en men kan er ook paardrijden.

Door het I.V.N. en Staatsbosbeheer worden regelmatig wandelingen georganiseerd.

Privileges.

Het Vijlenerbos heeft een eigen voorgeschiedenis, beginnend in 1319, toen Arnold van Gymenich (Gemmenich), Heer van Setterich, het bos met aanhorigheden schonk aan abdis en convent van Burtscheid.De inwoners van Vijlen hadden op het bos een collectief gebruiksrecht, welk privilege vermoedelijk is ontstaan uit oude cijns- of horigheidsverhoudingen.

 

In 1539, drie dagen na Sint Maartensdag, werd tussen de abdis van Burtscheid, fungerend als grondvrouw, en de inwoners van Vijlen ("gemeyn naeber") een overeenkomst gesloten, waarbij een en ander in een 22 artikelen tellend bosreglement werd vastgelegd.

"Meyster" Symong Kern trad op als secretaris. Volgens deze overeenkomst hadden de noaber jaarlijks recht op een "seyl" (kavel) hout, bij loting aan te wijzen door twee "gyfsmannen" (uitdelers). Zij mochten er verder vanaf 1 november hun koeien en schapen laten weiden en haalden uit het bos hun "stecken" (bonestaken) en hun "bessemreys" (rijshout om bezems te maken). De beëdigde vorsters of boswachters moesten toezien op naleving van de reglementen en vooral tegen houtdiefstal door vreemden. In een aanvullend reglement van 13 november 1600, bekend als liet "Vijlener Beusch Recht", werd onder meer bepaald, dat het hout van het bos jaarlijks verdeeld zal worden onder de hoeven en huizen, waarvan op 1 mei des jaars "den rauk boeven de daak dorch den schornstein uytvliegt".

 

 

Noaberschap.

Tot de bosgerechtigden behoorden de inwoners van de zes gehuchten of buurschappen Viijlen, Berg, Mamelis, Rott, Cottessen en Camerig, vereenigd in de "Noaberschap der Villender Rotten. De "Noaberschap" hield tweemaal per jaar zitting (vroegdag) op de Vijlener Dreysschen en wel in mei en op St. Remysdag (1 oktober).

Op deze zitting werden de door de vorsters en naburen aangebrachte overtredingen van de regelementen berecht en de verschuldigde boeten (vroegen) bepaald. Na de komst der Fransen in 1795eraakte de abdij van Burtscheid het bos kwijt en begon een lange strijd tussen de gemeente Vaals en de "Noaberschap" om het bezit ervan. Later droeg de "Noaberschap" het beheer van het bos over aan een boscommissie. In 1940 kwam een abrupt einde aan een eeuwenlange bestaande situatie. Op 27 juni van dat eerste oorlogsjaar werd het bos gevorderd door de de Staat der Nederlanden.

Direct na de oorlog kwam de boscommissie onder de toenmalige voorzitter, Martin Wiertz in het geweer om het erfgoed te verdedigen en herstel van rechten te verkrijgen. Dit heeft mogen baten. De klok werd niet meer terugedraaid. Het Vijlenerbos is thans eigendom Staatsbosbeheer.

 

 

COTTESSEN

Cottessen, een gehuchtje onder het kerkdorp Vijlen, behoort met het aangrenzende Camerig tot de gaafste en wellicht mooiste gehuchtjes van het zuiden. Ze werden in 1969 ingeschreven beschermd dorpsgezicht. Het unieke landschap biedt natuurvriend en wandelaar alles wat hij zich maar wensen kan.

Moeder Natuur op haar best ...

Maar hoevelen, zelfs mensen uit eigen streek, weten dit! De met gekleurde paaltjes gemarkeerde wandelroutes voeren ons vanzelf langs de mooiste plekjes.

Bij Cottessen dat met de Belgische grens samenvalt, stroomt ook de veel bezongen Geul tussen de grenspalen 8 en 9 ons land binnen. Vanaf grenspaal 8 leidt een voetpad via een stukje camping over de Geulbrug naar het aan gene zijde gelegen plaatsje Sippenaken.

 

Zinkviooltje.

In het voorjaar treft men er nog het zeldzame zinkviooltje aan, dat in vroeger dagen nog langs de oevers van de Geul in groten getale floreerde, een geel veldtapijt ten toon spreidend.

 

 

Kwade huizen.

Reeds in 1325 wordt een zekere Matthijs van Quoldhusen vermeld als schepen van Vijlen.Bij een kerkvisitatie te Vijlen in 1658 werd de plaats nog met Quathuysen aangeduid, letterlijk: "kwade huizen".Het middelnederlands "quaet" of "quade" heeft meerdere betekenissen en kan onder meer worden opgevat als "in slechte toestand verkerend"; ook "gering" of "nederig". De volksmond verbasterde de naam via Kothauzen (1800) tenslotte tot Cottessen.

Evenals op andere plaatsen is de agrarische funktie van weleer goeddeels verdwenen.Wat vroeger boerderij was, wordt tegenwoordig nagenoeg niet meer als zodanig gebruikt. Vakwerkboerderijen worden na restauratie benut als woonhuis, vakantiewoning, groepsaccommodatie ("Hoeve ten Bosch")of camping ("Cottesserhoeve"). Liggend ingesloten tussen het Vijlernerbos ,de Geul en de grens met Belgie lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Het is een ideaal wandelgebied voor rustzoekers en genieters van wisselende landschappen in hun oorspronkelijke vorm. (Auto's worden geweerd.)

Hoeve Bellet.

Deze imposante gesloten hoeve van de familie Crombach verdient bijzondere vermelding. Ze dateert uit de eerste helft van de achttiende eeuw en was oorspronkelijk bezit van Anna Carolina Margaretha van Renesse, de abdis van Burtscheid en grondvrouwe van Vijlen. Haar wapen prijkt boven de inrijpoort. (Dominus Providebit, de Heer zal voorzien). De hoeve is voor een deel opgetrokken uit breuksteen uit de nabij gelegen Heimansgroeve. Hoeve Bellet valt onder monumentenzorg. Bellet komt voort uit "betuletum" dat berkenbos betekent. De kolonisten noemden hun ontginningen vaak naar de boomsoort of struiken struiken in de omgeving.

 

CAMERIG.

In Camerig lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Door de eeuwen heen is dit gehucht van Vijlen praktisch ongeschonden bewaard en thans beschermd dorpsgezicht.

Camerig, voor het eerst vermeld in 1323, heette aanvankelijk Caudenberg, verklaard in de zin van kale berg of kaal (gekapt) bergachtig terrein. Het gehucht is te vinden aan de Mergelandroute op 1 km van Epen. Het Vijlenerbos en de Geul, die er lustig voortkabbelt, vormen een natuurlijke begrenzing.

Het oudste gedeelte van hoeve Winneberg dicht bij de Geul, is zelfs zestiende eeuws. Er wonen nog maar weinig autochtone families, veel bewoners komen van elders.Het ligt erg geïsoleerd en men kan zich voorstellen hoe eenzaam het er in vroeger tijden, met de toen nog zeer slecht begaanbare wegen, moet zijn geweest.Men proeft er nog de ondefinieerbare sfeer en rust, eigen aan het platteland.

 

 

Een pittoresk hoekje te Camerig.

De hof van Mullenders op nummer 2, gedeeltelijk vakwerk is zeventiende eeuws.De gevel van kolenzandsteen draagt de jaarankers 1749.Tegenover de hof ligt een voormalig bakhuis, dat de de schrijfster Dr. Klink bekend van haar boek "Bijbel voor de kinderen", als werkstulpje heeft ingericht.

 

Harles.

Bewaard gebleven bronnen maken reeds in 1120 melding van het bestaan van dit gehucht onderVijlen, toen Harleis geheten.Denaam zou zijn afgeleid van"Hariliiacas in de betekenis van "toebehorend aan Harilo of Harelio". Harilo zal wel een Romaans sprekende Frank zijn geweest die in de vroege Middeleeuwen deze plek ontgonnen en in gebruik genomen heeft.

Op een Frankische nederzetting wijzen meer plaatsnamen in de omgeving.

Harles telt momenteel 23 huisnummers. Tot de autochtone families behoren: Kullen, Laeven,

Larik, Schrouff, Thewissen en Wiertz.

dorpspomp

Links op de voorgrond de dorpspomp, die alleen nog maar een decoratieve funktie heeft.Vroeger - en dat is nog géén vijfentwintig jaar geleden - was deze ouderwetse pomp dé waterleverancier voor Harles, alsmede een geliefde ontmoetingsplaats voor de buurtschap (noaber). Hier werden de laatste nieuwtjes uitgewisseld, lief en leed gedeeld, afspraakjes gemaakt enz.

Volgens onze zegsvrouw Fien Géron-Wiertz die de iets verderop gelegen vakwerkboerderij bewoont, werd het water van de pomp gehaald met vaten of met emmers. De emmers werden gedragen aan een houten juk, de puthaam.

Met het pompwater vulde men vervolgens aarden pot - de putbaar - die op de keldertrap stond en waarin het water koel bleef. Water uit pomp of put wordt in de volksmond "puts" genoemd. 's Winters werd de popomp uiteraard goed "ingepakt" om de ramp van bevriezing te voorkomen. De koeien werden gedrenkt aan het in de buurt gelegen beekje. Daarnaast had de gemeente gemeente als voorzorgsmaatregel een bassin laten aanleggen om in geval van brand over voldoende water te kunnen beschikken. Harles werd pas aan het einde van de vijftiger jaren op het waterleidingnet aangesloten.

 

BUURSCHAP ROTT.

De namen Rott, Rode, Rath en Rade heb zelfde oorsprong. Ze stammen uit het Germaans en betekenen "gerooid bos".De eerste kolonisten rooiden een geschiktt plek in het bos en stichtten er een nederzetting. Des tijds was Rott met Melleschet een van de zes Rotten, buurschappen in de heerlijkheid Vijlen.

 

 

 

MELLESCHET.

Het ontstaan van dit gehuchtje wordt gedateerd in de Frankische tijd. Vermoedelijk waren de eerste bewoners immigranten, afkomstig van Malone bij Namen die ter herinnering aan de plaats waar zij vandaan kwamen, hun nederzettingen noemden met de namen waaruit Malensbos en Melleschet zijn voortgekomen.

OP GHENE HOPSCHET en VIJLENBERG.

Aan een in-ham van de Vijlenberg, gemarkeerd door een stenen kruis ligt op een hoogte een groepje huizen die in de volksmond "Op ghene Hopschet" worden genoemd. Een Pittoresk stukje oud-Vijlen.

Naar men zegt zou het vakwerkhuisje op nummer 81 (nu Hopschet ..) bewoond door Anneke Hounjet uit 1300 (!) stammen. In het Pand Gulpen nr 83 (nu Hopschet …) was heel vroeger een schooltje gevestigd waar "begiene" onderricht gaven. Het pand Jaminon (nr-85) nu Hopschet 10 en Nicolaye nummer nu Hopschet 8 eertijds de funktie van verenigingslokaal. Aan het vakwerkhuis nummer 89 (nu Hopschet 6) gaf de vroegere bewoner Scheng Schwanen, de bijbelse naam "de Arc van Noach". Volgens de overlevering heeft de schuur van dit pand gedurende de bouw van de Sint Martinuskerk in de vorige eeuw dienst gedaan als noodkerk. Nu is ze in gebruik door familie Franssen als groepsaccommodatie met de naam "Op de Hopschet"

 

 

 

DE SINT MARTINUSKERK VAN VIJLEN.

De historie gewaagt van een kerkje te Burtscheid (bij Aken) en een te Vijlen, in de 7e eeuw gesticht door de heilige Clodulphus, bisschop van Metz. Clodulphus verbond aan elke kerkje twaalf matricularii, te vergelijken met monniken, die in gemeenschap leefden en door landbouw voorzagen in hun onderhoud. Aan hen werd het beheer van kerk en goederen toevertrouwd. Zij vonden later een onderkomen in de abdij van Burtscheid. Deze abdij werd in 996 gegrondvest door abt Gregor, die er de regel van St. Benedictus invoerde. Abt Gregor zou na zijn overlijden als een heilige worden vereerd. De Duitse keizer Otto III verleende de nieuwe abdij de "Reichsunmittelbarkeit", d.w.z. de abt was geen andere heer onderworpen dan alleen de keizer.

Voortdurende twist en druk van wereldlijke machten ondermijnde echter het religieuze leven, met als gevolg dat het aantal monniken begin 13e eeuw was gedaald tot vijf Ook op de bezittingen van het klooster waren zware schulden komen te rusten. Een en ander deed aartsbisschop Engelbert 1 van Keulen in 1222 besluiten de Benedictijnen te vervangen door Cisterciënser nonnen van de St. Salvatorberg te Aken. De nonnen namen later ook de rechten van de kerk van Vijlen over.

 

Abdis van Burtscheid.

De abdis van Burtscheid heeft in de historie van Vijlen een belangrijke rol vervuld. Zij was ter plaatse grondvrouwe en oefende heerlijke rechten uit. De funktie van abdis werd bekleed door jonge dochters uit aanzienlijke geslachten. Om er 2 te noemen: Henrica Raitz von Frentz, die in 1643 de Monnikenhof verbouwde en Anna Carolina Margaretha Baronesse van Renesse von Elderen, waarvan de wapensteen (1726) is ingemetseld boven de ingang van de sacristie. Zij liet destijds de toren van de kerk restaureren. Op de plaats van de huidige kerk stond vroeger een kerkje met een romaans schip, mogelijk daterend uit de 1Oe eeuw en een gotische toren uit de 13e eeuw.

 

Nieuwe kerk.

Onder het pastoraat van Michael loseph Straeten begon men in I860 met de bouw van een neogotische hallenkerk, naar ontwerp van architekt Weber. Mgr. Paredis, bisschop van Roermond kon in 1862 de inwijding verrichten. De 68 meter hoge kerktoren werd pas gebouwd tussen 1874 en 1878. Nadien hebben nog enkele restauraties plaats gevonden: de laatste in 1975-1977. De kerk die in 1973 op de Monumentenlijst werd geplaatst, heeft een bijzonder sfeervol interieur. Boven de ingang hangt een kruis van ca. 1700. Achterin staan de beelden van St. Clodulphus en St. Martinus, resp. stichter en patroonheilige. Bezienswaardig zijn voorts: schilderingen en opalines van Charles Eyck. De muurschildering in de doopkapel is van de plaatselijke kunstschildertekenaar Pierre Delnoy. De Sint Martinuskerk te Vijlen is op een na de hoogst gelegen kerk van Nederland (195 meter boven N.A-P.). De kerk van Ubachsberg is het hoogst gelegen. Tot in de wijde omgeving tekent haar silhouet zich tegen de hemel af.

Oude grafkruisen.

Tegen de kerkmuur staan enkele oude hardstenen grafkruisen, waarin de namen zijn wen van Jasper Klincken/Berg en zijn" hausfrau Hickel Krumel anno 1631 overleden;.Anna Altenberg (1636); Tonies Kollen (1650); Jan Koelen van Loesberg (1661); Jacobus Bindels (1678) en Anna Bindels (1771).

 

DE ABDIJ VAN MAMELIS

Van veraf lijkt de abdij met haar hoge muren en zware hoektorens op een middeleeuwse burcht.Gelegen op een heuvelhelling beheerst deze "burcht van gebed" in wijde omtrek de vallei. Aan haar voet raast het verkeer over de Rijksweg Vaals~Maastricht voorbij. Achter de kloostermuren heerst een strenge dagorde. De stilte is van vitaal belang voor de monniken die haar bevolken. Zij volgen de regel van Sint Benedictus, vandaar ook dat de abdij de naam Benedictusberg draagt. Het klooster werd gebouwd door de Duitse Benedictijnen, die uit Merkelbeek wilden vertrekken. Zij kochten op 30 november 1921 de ruim 65 ha grond rond de historische hoeve Mamelis. Het ontwerp is van de architecten Dominikus Böhm en Martin Weber. De bouwheer en opdrachtgever was de abt Dom Romualdus Wolters. In 1922 werd begonnen en in al augustus 1923 namen de monniken - hoewel de bouw nog niet geheel klaar was - er hun intrede.

 

 

Ten gevolge van de devaluatie van de Duitse mark raakte men in financiële problemen. De bouw van de geplande kerk kon niet worden gerealiseerd. De monniken moesten zich behelpen met een kloostergang die ingericht werd als noodkerk.

 

De Tweede Wereldoorlog bedreigde het bestaan van de abdij. De monniken moesten dienst nemen in de Duitse legers. Enkele monniken sympathiseerden zelfs met het nationaal-socialisme; zij brachten de hele kloostergemeenschap in opspraak. Na de bevrijding in september 1944 werden de monniken geïnterneerd en vervolgens over de grens gezet. Op 20 oktober 1947 kwam de abdij onder toezicht van de abt der Benedictijnen van Oosterhout (N.Br.)

 

Gedurende zeven jaar gebruikte men het gebouwencomplex voor andere doeleinden. Zo bood de abdij voor korte of langere tijd een onderkomen aan: het Amerikaanse leger, de grenswacht, politieke delinquenten en gezinnen van gerepatrieerden uit Nederlands Oost-Indië. In die periode is veel moedwillig vernield en gestolen en gingen kostbare installaties verloren. Dank zij de goede zorgen van de enige Nederlandse broeder, die trouw op zijn post was gebleven, zijn de sacristie en de bibliotheek voor plundering gespaard. Het gebouw was nadien totaal onderkomen en uitgewoond en moest grondig worden opgeknapt.

 

Nieuwe fase.

Op donderdag 15 november 1951 betrokken dertien monniken uit Oosterhout met pater Vincentius Truyen als prior, opnieuw het klooster Het koorgebed werd hernomen en is sindsdien niet meer onderbroken.

Later kon pas een crypte worden gebouwd, waarvan het hoogaltaar op 1 maart 1962 Mrg. Moors werd geconsacreerd en toegewijd aan Sint Benedictus.In 1965 begon men met de afbouw van de kerk. Drie jaar later kwam deze gereed. Op 4 mei 1968 had de inzegening plaats.De plannen werden ontworpen door de monnik-architect Dom Johannes van der Laan. Op 30 januari 1965 ontving de huidige abt Nicolaas de Wolf de abtswijding. De communiteit telt thans 34 paters en broeders. De laatste jaren zijn veel jongeren ingetreden. De abdij maakt deel uit van de Franse congregatie van Solesmes.

Kloosterleven.

De Benedictijnen stellen hun leven in dienst van de verheerlijking van God en willen in arbeidzame rust met Hem samenleven. Acht Maal per dag roepen een of meerdere klokken de monniken tot gebed in de kerk bijeen. Naast de acht getijden die samen de monastieke liturgie vormen, vieren de monniken iedere dag het heilig Misoffer. De getijden worden geheel gezongen en zijn evenals de Hoogmis voor iedereen toegankelijk. De dag begint rond 05.00 uur met de metten en wordt besloten om 20.30 uur met de kompleten. De tijd buiten het koorgebed en de geestelijke lezing is bezet met studie en handenarbeid. De monniken voorzien in hun eigen levensonderhoud. De abdij beschikt voorts over een boekbinderij, een smederij, hostiebakkerij en een paramentenatelier. Ook worden er sinds kort meubels gemaakt volgens een ontwerp van de eerdergenoemde pater Hans van der Laan. De hiervoor verkregen werkopdrachten betekenen een zekere bron van inkomsten. Tenslotte is er nog het gastenkwartier dat acht kamers omvat, uitsluitend gereserveerd voor mannelijke personen die de liturgische vieringen willen meemaken. Ze dienen zich verder te houden aan de dagorde en de leefwijze van de monniken. Meer informatie over Abdij St. Benedictusberg.

"De eerbiedwaardige instelling van het monastieke leven dient trouw bewaard te blijven en zowel in het oosten als in het westen haar ware geest steeds meer uit te stralen.(Vaticanum II 46).

*Bronvermelding: Tekeningen en text zijn grotendeels ontleend aan de uitgave "Met Pierre en Hans op stap" van Pierre Delnoy (tekeningen) en  Hans Krot. (texten), uitgave1983.